|
Archief muziekdiensten
2010:
zondag 14 maart 2010 (Laetare)
Giovanni Battista Pergolesi (1710-1736), Stabat Mater
solisten: Sjoukje Kooistra (sopraan) en Alexandra d’ Espinoza (alt)
barokensemble o.l.v. Tymen Jan Bronda
voorganger: Ds. T. van Dam
Het oeuvre van Pergolesi omvat slechts twaalf religieuze werken,
waarvan het Stabat Mater ongetwijfeld het meest gekende is. Stabat
Mater Dolorosa (De moeder stond bedroefd) zijn de beginwoorden van
een gedicht op de moeder Gods in haar smart om de gekruisigde
Christus. Het is geschreven voor sopraan en contratenor (alt) met
strijkers en continuo. Het eerste deel is het meest bekend, het
Stabat Mater Dolorosa, waarbij de strijkers de sfeer leggen voor de
twee stemmen die in elkaar gevlochten worden met dissonanten en
vraag- en antwoordmotieven. Het geheel heeft van sfeer iets weg van
het Lacrymosa uit Mozarts Requiem, dezelfde kleur van orkestratie
met Seufzer-motieven. Pergolesi heeft echter duidelijk zijn eigen
stijl en die bestaat erin zoveel mogelijk elementen en stijlfiguren
door elkaar gebruiken ten dienst van de emotie.
zondag 14 februari 2010 (Quinquagesima)
J.S. Bach, cantate BWV127 Herr Jesu Christ, wahr' Mensch und Gott
Luthers
Bach Ensemble (projectkoor en barokorkest) o.l.v. Tymen Jan
Bronda
voorganger: Ds. S.
Freytag
In de evangelielezing van
zondag Quinquagesima (Lukas 18: 31-43) kondigt Jezus zijn lijden aan,
waarna de genezing van de blinde Bartimeüs volgt. Die roept Jezus in
het voorbijgaan toe: ‘Zoon van David, ontferm u over mij’ (Kyrie
eleison, Miserere mei). BWV127 behoort tot Bachs tweede jaargang,
die zich kenmerkt door het gebruik van de Lutherse koralen.
Uitgangspunt hierbij is de Lutherse koraalmelodie en de bijbehorende
tekst. Van het koraal nam Bach de tekst en de melodie van de eerste
en de laatste strofe ongewijzigd over, terwijl de binnenstrofen
parafraserend werden herdicht. Hiermee kreeg de cantate een sterke
eenheid. Herr Jesu Christ, wahr' Mensch und Gott (Paul Eber
1511-1569) is een begrafenislied. De inhoud van het eerste couplet
sluit echter goed aan bij het evangelie van zondag Quinquagesima,
zowel in de verwijzing naar Jezus’ lijden als naar de roep om genade.
Bach bezette deze cantate voor vierstemmig koor, drie solisten,
trompet, hobo, traverso’s strijkers en continuo.
zondag 10 januari (1ste zondag na Epifanie)
J.S. Bach, Weihnachtsoratorium BWV248/6 Herr, wenn die stolzen
Feinde schnauben
Luthers
Bach Ensemble (kleinkoor & barokorkest) o.l.v. Tymen Jan Bronda
solisten: Esther Ebbinge (sopraan), Robert Kuizenga (altus), Robert
Buckland
(tenor), Henk Timmerman (bas)
voorganger: Ds. S.
Freytag
De verschijning van de
drie Wijzen uit het Oosten (Epifanie) staat centraal in deze zesde
en laatste cantate behorend bij Bachs cyclus van het
Weihnachtsoratorium. De titel van deze cantate wordt vaak in verband
gebracht met Psalm 120: ‘Bevrijd mijn ziel, Heer, van lippen die
liegen, van de tong die bedriegt’. Gelijk hebben we hier de thema’s
van deze cantate: de herinnering aan Christus’ vijanden, en
daarnaast het Godsvertrouwen. Aardig detail hierbij is dat Bach de
muziek verwerkte in 120 maten, overeenkomstig het nummer van de
psalm. Net als de eerste Weihnachtscantate staat deze in de
toonsoort D groot. Ook de bezetting herinnert aan de eerste dag van
Kerst: drie trompetten met pauken, hobo’s, strijkers en continuo.
2009:
zondag 13 december 2009
(3de zondag van de
Advent)
J.S.
Bach, motet BWV 227 Jesu meine Freude
Luthers
Bach Ensemble (kleinkoor & barokorkest) o.l.v. Tymen Jan Bronda
voorganger: Ds. S. Freytag
Van Bach kennen we zes motetten (BWV225-230) en
twee die recentelijk als authentiek zijn aanvaard: het vroege
dubbelkorige werk Ich lasse dich nicht, du segnest mich denn en het
vierstemmige Jauchzet den Herrn, alle Heiden (BWV Anh.159 & 160).
Ten tijde van Bachs Thomascantoraat (1723-1750) waren motetten niet
meer in de mode en werden deze nauwelijks meer gecomponeerd. Ze zijn
geschreven als begrafenismuziek. De nieuwe mode van de kerkdienst
was de cantate naar Italiaans model. In da capo-aria's, recitatieven
en openingskoren kon Bach zich uitleven in de nieuwste barokke
technieken. Van de cantor werden dus eigenlijk geen eigen
motetcomposities meer verwacht: gelukkig stond er in de
cantorijbibliotheek nog een rijke verzameling motetten van oude
meesters. Saillant detail is dat Bachs cantates na zijn dood snel
zijn vergeten, maar dat zijn motetten gedurende de 18de eeuw en de
Romantiek permanent op het repertoire van het koor van de Thomaner
zijn blijven staan. Bekend is dat Mozart in april 1789 in Leipzig,
zeer geïmponeerd door een uitvoering van 'Singet dem Herrn', uitriep
'Hier is wat van te leren' en zich alle partijen liet brengen.
Zondag 8 november 2009
(22ste Zondag na Trinitatis)
J.S. Bach (1685-1750), Lobet den Herrn, alle Heiden BWV230
J.S. Bach, Kyrie uit Lutherische Messe in F BWV233
diverse aria’s uit het 'Musicalisches Gesangbuch' van Georg Christian Schemelli
(ca.1678-1762)
Capella Groningen & barokorkest o.l.v. Enrique López-Córton
soliste: Klaartje van Veldhoven (sopraan)
voorganger: Mw. M. Ruiter
Bach was in zijn functie als Thomascantor verantwoordelijk voor de ‘Hauptmusik’
van de Lutherse dienst oftewel de cantates die hij gedurende een aantal
achtereenvolgende jaren wekelijks componeerde. Motetten - koormuziek op
niet-liturgische religieuze teksten - waren bijzaak. Pas in de 19de eeuw (1821)
werd het motet Lobet den Herrn in een twijfelachtige gedrukte versie herontdekt.
Lobet den Herrn wijkt af van de andere Bachmotetten. Aan de basis van dit motet
ligt bijvoorbeeld geen koraalmelodie maar een Psalmtekst (Psalm 117). Het is ook
het enige motet dat vierstemmig en niet dubbelkorig is. Verder bestaat het
slechts uit één deel en heeft het een eigen becijferde bas die niet samenvalt
met de gezongen basstem.
Georg Christian Schemelli’s ‘Musicalisches Gesangbuch’ verscheen in 1736 te
Leipzig. Het aandeel van de melodieën van Bach (BWV439-507) wordt in het
voorwoord omschreven als ‘theils ganz neu componiret, theils auch von Ihm in
General-Bass verbessert’. Kortom, het is niet altijd op te maken welke hij nu
zelf schreef. Het liedboek vertoont overduidelijk piëtistische trekjes.
Zondag 11 oktober 2009 (18de
Zondag na Trinitatis)
Heinrich Isaac (ca.1450-1517), Kyrie uit de Messa 'La bassadanza'
Cristobal de Morales (ca. 1500-1553), Gloria uit de Missa ' Mille regretz'
Tomás Luis de Victoria (1549-1611), Credo uit de Missa 'Gaudeamus'
Vocaal Ensemble Serena o.l.v. Ton Tromp
voorganger: Ds. S. Freytag
Het gemeenschappelijke aan de muziek van vandaag is dat het gebaseerd is op een
bestaande melodie. Bij Isaac betreft het een melodie die algemeen bekend was uit
de wereld van het amusement. De Bassadanza is eigenlijk bedoeld als dansmuziek.
Isaac heeft de pakkende melodie gebruikt om liturgische teksten op te toonzetten.
Het Gloria van De Morales heeft een cantus firmus (uitkomende stem) die is
gebaseerd op het chanson 'Mille regretz' waarin wordt bezongen dat iemand
duizend maal spijt heeft van zijn naderende vertrek. De Victoria werkte aan het
eind van de 16de eeuw als componist van rooms-katholieke kerkmuziek. Hij hield
zich aan de nieuwe voorschriften die door het concilie van Trente waren
vastgesteld: wereldse melodieën mochten niet meer als basis worden gebruikt voor
liturgische composities. Bovendien moest de tekst voor de toehoorders goed te
verstaan zijn. De Missa 'Gaudeamus' is gebaseerd op de opening van een
gregoriaans gezang; de polyfonie (gecomponeerde meerstemmigheid, d.w.z. meerdere
melodieën tegelijkertijd) is uitgekiend toegepast: veel tekstgedeelten worden
door twee of drie partijen tegelijk ingezet. Zo blijven belangrijke onderdelen
van de tekst goed herkenbaar in deze zesstemmige compositie.
Zondag 10 mei 2009 (Zondag Cantate)
Jan Pietersz. Sweelinck (1562-1621),
Psalm 149 'Chantez a Dieu' & Psalm 96 'Chantez a Dieu'
Heinrich Schütz (1585-1672), Cantate Domino
Ensemble Vocalmente o.l.v. Rein de Vries
dienst met Heilig Avondmaal
voorganger: Ds. Susanne Freytag
Jan Pieterszoon Sweelinck werd door zijn vader tot organist opgeleid. Al op zijn
achttiende volgde hij zijn vader op in de Oude Kerk te Amsterdam. De vocale
werken van de meester, die geldt als de laatste belangrijke componist van de
Nederlandse school, zijn geschreven in de oudere contrapuntische stijl van de
zestiende eeuw.
In 1617 werd Heinrich Schütz kapelmeester aan het hof van Dresden, oftewel: de
leider van de grootste en belangrijkste muzikale instelling in Luthers Duitsland.
Samen met Dieterich Buxtehude was hij de belangrijkste Duitse componist vóór
Bach.
De laatste muziekdienst van het seizoen besluit met a-capella toonzettingen
passend bij Zondag Cantate.
Zondag 12 april 2009 (Pasen)
J.S. Bach, cantate 'Christ lag in Todesbanden' BWV4
bewerking voor orgel en trompet
Willem Frieswijk (trompet)
Tymen Jan Bronda (orgel)
voorganger: Ds. Susanne Freytag
Deze cantate is geschreven voor Eerste Paasdag, vermoedelijk in 1708 te Weimar.
Zij is bewerkt voor de uitvoering op Pasen 1724 in de Thomaskerk en de
Nicolaaskerk te Leipzig. De zeven strofen van het lied "Christ lag in
Todesbanden" - zowel tekst als melodie - zijn een bewerking van Martin Luther
naar de Paassequens Victimi Pascali laudes (1040) en het Duitse lied Christ ist
erstanden uit ca 1090.
Zondag 8 maart 2009 (Reminiscere)
J.S. Bach, cantate BWV159 'Sehet! wir gehn hinauf gen Jerusalem'
Roder Jongenskoor & barokensemble De Swaen Amsterdam o.l.v. Rintje te Wies
solisten:
Daniël Elgersma (countertenor)
Niek van den Dool (tenor)
Robert Brouwer (bariton)
voorganger: Ds. Susanne Freytag
Deze cantate is geschreven voor Zondag Esto mihi (of Quinquagesima), de Zondag
voor Aswoensdag en werd vermoedelijk voor het eerst uitgevoerd op 27 februari
1729 te Leipzig. BWV159 behoort tot Bachs vierde cantatejaargang.
De woorden Esto mihi stammen van de Introïtusantifoon van deze dag, Esto mihi in
Deum protectorem, wees mijn beschermer, God (Psalm 31: 3-4). De relatie tussen
de Estomihi-cantate 159 en de passionen, die we in BWV159 in allerlei
verwijzingen naar passiemuziek tegenkomen, is duidelijk aanwezig. Een Esto
mihi-cantate vormde voor de Leipziger cantor de laatste gelegenheid om zijn
visie op het lijdensevangelie te geven. Gedurende de vastentijd was in Leipzig
namelijk geen concertante muziek toegestaan. De cantate is een summiere
lijdenspreek.
Zondag 8 februari 2009 (Septuagesima)
Benjamin Britten (1913-1976), Canticle II: Abraham and Isaac, Op. 51
Femke de Boer (alt)
Han Warmelink (tenor)
Tomas Kloosterman (vleugel)
voorganger: Ds. Susanne Freytag
Canticle II (1952) gaat over het meest dramatische moment uit het leven van
Abraham zoals het geschreven staat in Genesis 22; het offeren van zijn geliefde
zoon Izaäk in gehoorzaamheid tot zijn God. In deze opera van twee personen neemt
de ene zanger de rol van Abraham op zich, de andere de rol van Izaäk. De stem
van God legde Britten in de mond van beide zangers tegelijk. Gedrieën brengen ze
het oude verhaal. De vader neemt zijn zoon mee naar de berg Moriah alwaar hij
een altaar bouwt om Izaäk op te binden. Na zijn hartverscheurende
afscheidswoorden heft Abraham zijn mes in de hoogte om zijn zoon af te slachten,
totdat God tussen beide komt…
Britten gebruikte voor deze muzikale dialoog een Middeleeuwse tekst uit de
Chester Miracle Plays. Hij schreef het stuk oorspronkelijk voor zijn partner, de
tenor Peter Pears, en voor Kathleen Ferrier. Zelf nam Britten de pianopartij
voor zijn rekening.
Zondag 11 januari 2009 (eerste Zondag na Epifanie)
J.S. Bach, Lutherse Mis in A BWV234
Luthers Bach Ensemble (dubbelkwartet & barokorkest) o.l.v. Tymen Jan Bronda
voorganger: Ds. Susanne Freytag
De Mis in A maakt duidelijk dat het ordinarium van de diensten in Leipzig nog
gedeeltelijk in Latijn en Grieks werd gezongen en op hoogtijdagen zelfs volledig
(zie het Latijnse Magnificat op Zondag 14 december). Waarschijnlijk zijn de vier
Lutherse Missen vanaf 1736 gecomponeerd.
Bach gebruikte voor deze Missen delen uit reeds eerder gecomponeerde cantates (parodieën).
Zo komt het Gloriakoor uit de cantate BWV67/6 en het Qui tollis peccata mundi
uit BWV179/5.
De Mis is geschreven voor sopraan, alt en bas solo, vierstemmig koor, twee
traverso’s , strijkers, en basso continuo.
2008:
donderdag 25 december 2008 (Kerstochtend)
J.S. Bach, eerste cantate Weihnachtsoratorium BWV248/I
Roden Handel Chorus & Handel Sinfonietta o.l.v. Rintje te Wies
voorganger: Ds. Susanne Freytag
De eerste cantate uit het Weihnachtsoratorium ‘Jauchzet frohlocket, auf, preiset
die Tage’ is door Bach gecomponeerd voor Eerste Kerstdag, 25 december 1734. Deze
cantate sluit aan bij de evangelielezing van deze Zondag (Lukas 2: 1-14): de
geboorte van Jezus Christus. Trompetten en pauken symboliseren het feestelijke
karakter. De toonsoort D groot (net als bij Bachs Magnificat) benadrukt het
majesteitelijke en machtige: een stralende toonsoort.
Een aanzienlijk aantal delen van het Weihnachtsoratorium zijn parodieën (hergebruikte
werken) van eerder gecomponeerde wereldlijke cantates: deel één en deel acht
komen bijvoorbeeld uit de wereldlijke cantate ‘Tönet, ihr Pauken! Erschallet,
Trompeten!’ (BWV214)
Zondag 9 november 2008 (25e Zondag na Trinitatis)
Dietrich Buxtehude (1637-1707), koraalconcert BuxWV21 ‘Du Friedefürst, Herr Jesu
Christ‘
Hans Leo Haßler (1564-1612), uit de ‘Missa super Dixit Maria’: Kyrie & Gloria
solisten & barokensemble o.l.v. Tymen Jan Bronda
Antje van der Tak (sopraan)
Robert Kuizenga (altus)
Hans de Wolf (bas)
voorganger: Ds. Dirk Strasser
Het koraal ‘Du Friedefürst, Herr Jesu Christ‘ past goed bij de vijfentwintigste
Zondag na Trinitatis. Johann Sebastian Bach schreef bij deze Zondag een cantate
(BWV 116) met dezelfde titel als dit Choralkonzert van Dieterich Buxtehude (het
begrip Kantate werd door Buxtehude en tijdgenoten nog niet gebruikt). De
lezingen van de Zondag laten een tweeledige en verschillende visie op het
laatste oordeel zien. De evangelielezing (Matt. 24: 15-18) is een schrijnende
visie op de afdaling in de hel. De passage uit de eerste brief van Paulus aan de
Thessalonicenzen (4: 13-18) is een van de meest stralende van alle brieven: het
paradijs dat de gezegenden toekomt. BuxWV21 sluit hierbij aan; de tekst van ‘Du
Friedefürst, Herr Jesu Christ’ gaat ook over de twee standpunten betreffende het
laatste oordeel. Zo verandert in de eerste strofe het positieve beeld van de
Vredevorst in een schreeuw om hulp.
Zondag 12 oktober 2008 (21e Zondag na Trinitatis)
J.S. Bach (1685-1750), cantate BWV131 'Aus der Tiefen rufe ich, Herr, zu dir'
Luthers Bach Ensemble (projectkoor & barokorkest) o.l.v. Tymen Jan Bronda
m.m.v. Sebastian Brouwer (tenor) en Henk Timmerman (bas)
voorganger: Ds. Susanne Freytag
Wanneer Bach ‘Aus der Tiefen’ componeert is hij 22 jaar oud en net organist van
de Divi Blasii-Kirche te Mühlhausen. Cantate 131 is waarschijnlijk de oudste van
Bach bewaard gebleven cantate. Zij werd voor het eerst uitgevoerd in Mühlhausen,
lang voordat Bach zijn cantates in Leipzig ging componeren. Zij is naar alle
waarschijnlijkheid gecomponeerd voor de herdenkingsdienst voor de brand die
Mühlhausen teisterde op 30 mei 1707 waarbij honderden huizen in het stadscentrum
afbrandden. Wel schreef Bach voor de 21ste Zondag na Trinitatis een gelijknamige
cantate BWV38 ‘Aus tiefer Not schrei ich zu Dir’. De evangelielezing van vandaag
past dan ook goed bij BWV131.
Qua vorm wijkt BWV131, evenals andere vroege cantates (zoals de Actus Tragicus),
sterk af van wat we na ongeveer 1712 van hem gewend zijn. De instrumentale
bezetting heeft nog de eenvoud van het 17de eeuwse geistliche Konzert: één viool,
twee altviolen, een hobo, een fagot en continuo.
|
|